Homeopathie en wetenschap
Homeopathie staat op nummer twee van
de complementaire behandelvormen, achter acupunctuur, wat betreft de
hoeveelheid gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Naast observationele
klinische studies zijn er tot dusverre naar schatting 300 gerandomiseerde
gecontroleerde klinische studies gedaan, waarvan er ongeveer 130 in
peer-reviewed wetenschappelijke tijdschriften zijn verschenen. De
samenvattingen van veel studies zijn op MEDLINE te vinden. Een heel
grote verzameling boeken en tijdschriftartikelen op het gebied van de
homeopathie is beschikbaar in de Hom-inform
database van de British Homeopathic Library.
Observationele klinische studies
Diverse observationele studies van goede kwaliteit tonen
de effectiviteit van homeopathie aan.
Een prospectief onderzoek ondersteund door een Duits
ziekenfonds bestudeerde het effect van homeopathie en acupunctuur op de
levenskwaliteit en ziekteverzuim. Meer dan 900 patiënten werden homeopathisch
behandeld, de meeste van hen hadden chronische klachten. De behandeling had een
middelmatig tot groot effect op de levenskwaliteit en er bleek een zeer
significante daling van het ziekteverzuim aantoonbaar. [1]
In een prospectieve
multi-centre cohortstudie in 103 homeopathische huisartspraktijken in Duitsland
en Zwitserland, waarbij 2.851 volwassenen en 1.130 kinderen waren betrokken,
97% van hen een chronische aandoening hadden (gemiddelde duur 8,8 jaar) en 95%
van hen eerst regulier waren behandeld, verminderde de ernst van de
ziekteverschijnselen significant (P < 0.001) binnen twee jaar. Er konden
duidelijke blijvende verbeteringen van de levenskwaliteit en vermindering van
ziekteverschijnselen worden vastgesteld. [2]
Een observationele
studie die werd verricht in de homeopathische afdeling van een Brits NHS
ziekenhuis omvatte 6.500 opeenvolgende patiënten met meer dan 23.000 consulten
over een periode van 6 jaar. Bij 70% van de patiënten verbeterde de gezondheid,
bij 50% zelfs aanzienlijk. De beste resultaten werden gezien bij eczeem en
astma bij kinderen, en bij darmontstekingen (ziekte van Crohn en colitis
ulcerosa), prikkelbare-darm-syndroom, overgangsklachten en migraine.
[3]
Bij een observationele
studie in een ander Brits ziekenhuis waarbij 500 patiënten waren betrokken
toonde aan dat vele patiënten na homeopathische behandeling hun reguliere
medicatie konden verminderen of stoppen. De grootte van het effect was
afhankelijk van de diagnose: voor huidaandoeningen bijvoorbeeld konden 72% van
de patiënten hun reguliere medicatie verminderen of stoppen, bij
kankerpatiënten was dat niet mogelijk. De studie toonde ook aan dat veel
patiënten homeopathie keizen vanwege hun zorgen om de bijwerkingen van reguliere
medicatie.[4]
Artikelen in
gerespecteerde reguliere medische tijdschriften zoals de New England Journal of
Medicine, hebben aangetoond dat de behandelingseffecten in kwalitatief goed
opgezette observationele cohortstudies niet overschat worden en vergelijkbaar
zijn met die van experimentele studies. [5-6]
Experimentele klinische studies – meta-analyses
Naast observationele
studies zijn er in de laatste decennia ook studies met een strikter,
experimenteel karakter uitgevoerd. Een groot deel daarvan is in belangrijke,
international bekende, peer-reviewed wetenschappelijke tijdschriften
gepubliceerd. In veel gecontroleerde klinische studies is de effectiviteit van
homeopathie aangetoond.
De eerste
systematische review van homeopathisch onderzoek werd gepubliceerd in de
British Medical Journal in 1991. Van de 105 onderzoeken met interpreteerbare
uitkomsten, waren er 81 die positieve resultaten te zien gaven, waaronder
gerandomiseerde, gecontroleerde studies die hoge scores hadden voor
randomisering, blindering, steekproefomvang, en andere methodologische
criteria. De onderzoekers, drie reguliere epidemiologen, kwamen tot de volgende
conclusie: "The
amount of positive evidence even among the best studies came as a surprise to
us. Based on this evidence we would readily accept that homeopathy can be
efficacious, if only the mechanism of action were more plausible". En
"The evidence presented in his review would probably be sufficient for
establishing homeopathy as a regular treatment for certain indications".
[7]
In 1996 publiceerde de
European Commission Homeopathic Medicine Research Group een review, waarbij 184
gecontroleerde klinische studies werden betrokken. De gerandomiseerde,
placebo-gecontroleerde studies van de allerhoogste kwaliteit met een totaal van
2.001 patiënten werden geselecteerd. De onderzoeksgroep gebruikte een vrij
ongebruikelijke techniek waarbij p-waardes van de geselecteerde studies werden
gecombineerd om de vraag te beantwoorden: ‘Heeft homeopathie een effect?'. Het
bleek dat homeopathie effectiever was dan placebo (P < 0.001) hoewel
"the strength of this evidence is low because of the low methodological
quality of the trials" (P = 0.082 voor de subgroep van 5 studies met de
allerhoogste kwaliteit). [8] Deze review verscheen later in een iets gewijzigde vorm
in een wetenschappelijk tijdschrift.[9]
Een meta-analyse die
werd gepubliceerd in The Lancet in
1997 omvatte 186 placebo-gecontroleerde studies, waarvan er 89 bruikbaar werden
geacht voor analyse. De overall mean odds ratio voor deze 89 klinische studies
was 2,45 (95% confidence interval 2.05–2.93) ten voordele van homeopathie,
hetgeen betekent dat de kans dat homeopathie een gunstig effect had 2 tot 3
keer groter was dan voor placebo. Zelfs in een "worst case" scenario,
waarbij alleen studies werden geanalyseerd van hoge kwaliteit, met gebruik van
hoge of middelhoge verdunningen, gepubliceerd in door MEDLINE geciteerde
tijdschriften, en met gepredefiniëerde primaire uitkomsten, was de gepoolde
odds ratio 1,97 en bleef statistisch significant. De voornaamste conclusie was
dat de uitkomsten "were not compatible with the hypothesis that the
effects of homoeopathy are completely due to placebo". Bij verdere analyse
maakten de onderzoekers duidelijk dat studies van hogere kwaliteit minder
positief waren dan die van lage kwaliteit – hetgeen in de reguliere geneeskunde
ook het geval is –, hoewel het verschil met placebo statistisch significant
bleef totdat de analyse beperkt werd tot slechts vijf studies. Er was een
onvoldoende bewijs om conclusies te trekken over welke homeopathische
behandeling effectief is bij welke diagnose. [10]
In 2005 volgde weer
een review in The Lancet. Deze keer
met als doel om 110 placebo-gecontoleerde studies in de homeopathie te
vergelijken met 110 gematchte studies in reguliere geneeskunde. Homeopathie en
reguliere geneeskunde vertoornden beide een positief behandelingseffect.
Volgens de onderzoekers hadden 21 homeopathische studies en 9 reguliere studies
een hogere methodologische kwaliteit. Van deze groep werden de uitkomsten van
14 niet-gespecificeerde "grotere studies van hogere kwaliteit” (8
homeopathie, 6 reguliere geneeskunde) geanalyseerd. De gemiddelde odds ratio
was 0,88 (95% CI, 0,65-1,19) voor de 8 homeopathiestudies, en 0,58 (95% CI,
0,39-0,85) voor de 6 reguliere studies. In deze publicatie, in tegenstelling
tot de review uit 1997, wees een odds ratio kleiner
dan 1,0 op een effect dat groter is dan placebo. De onderzoekers
concludeerden dat er "weak evidence for a specific effect of homoeopathic remedies,
but strong evidence for specific effects of conventional interventions”
aanwezig was. Volgens hen paste dat bij de veronderstelling dat de klinische
effecten van homeopathie placebo-effecten zijn.
De analyse van de onderzoekers
kreeg de nodige kritiek te verduren omdat er selectie-bias in het spel kon zijn
met name bij het reduceren van de 21 studies van hoge kwaliteit tot 8 studies
met grote patiëntenaantallen. Het is overduidelijk dat de uitkomsten
afhankelijk zijn van hoe de drempel voor “grote” studies werd gedefinieerd. De
resultaten – en de conclusies die daaruit kunnen worden getrokken – veranderen
afhankelijk van welke subgroep van homeopathiestudies wordt geanalyseerd. De
keuze van een andere subgroep kan zelfs tot tegenovergestelde conclusies leiden.
Bijvoorbeeld, vier van de 21 studies betroffen de preventie of behandeling van
spierpijn na inspanning en een eerdere systematische review had al aangetoond
dat een homeopathische behandeling daarbij waarschijnlijk niet effectief was.
Als de analyse tot de overige 17 studies wordt beperkt wordt een statistisch
significant effect gevonden. Daarnaast is er geen duidelijk criterium waarom
een “grote” studie N=98 of meer patiënten zou moeten omvatten (behalve dan dat
op die manier een statistisch niet-significante studie met een
steekproefgrootte van precies 98 kan worden inbegrepen). Als bijvoorbeeld de
grens bij N=66 was gelegd, de mediaan steekproefgrootte van alle 110
homeopathiestudies, had men een significant effect ten gunste van homeopathie
kunnen vaststellen. De conclusies van deze onderzoekers, onder leiding van
Professor Matthias Egger, welbekend om zijn anti-homeopathie standpunt, zijn
dus lang niet zo definitief als ze in het Lancet-artikel worden gepresenteerd.
Het feit dat sommige
meta-analyses een positief bewijs voor de effectiviteit van homeopathie hebben
kunnen vaststellen is nog heel opmerkelijk omdat meta-analyses verre van
geschikt zijn wanneer studies nogal verschillend van aard zijn (zoals bij
homeopathie), niet alleen wat betreft hun uitkomsten maar ook in de
interventies en ziektediagnoses en wanneer een behandelwijze bij sommige
aandoeningen mogelijk wel en bij andere niet werkzaam is. Het Cochrane Handbook
for Systematic Reviews doet de volgende aanbeveling: "Meta-analysis should only be considered when a
group of trials is sufficiently homogeneous in terms of participants,
interventions and outcomes to provide a meaningful summary".
Experimentele klinische studies – reviews van ziektebeelden
Het probleem van de
meta-analyses dat er verschillende ziektebeelden op een hoop gegooid worden,
heeft men kunnen vermijden in de 17 systematische reviews die zich richtten op
gerandomiseerde, gecontroleerde studies bij 15 specifieke ziektebeelden. Het
bewijs voor de werkzaamheid van homeopathie is hier duidelijker: zeven van de
17 rapporten zijn tot dusverre positief voor homeopathie:
- diarree bij
kinderen [12]
-
griep
[13]
-
post-operatieve
ileus
[14]
-
hooikoorts
[15-17]
-
duizeligheid
[18]
Acht van de andere 10
reviews waren statistisch niet-significant; hieruit kunnen in feite geen
conclusies worden getrokken [19-26]. Twee reviews hadden een negatieve uitkomst. [27-28]
Voor andere
aandoeningen is het gepubliceerde bewijs fragmentarisch: er zijn enkele nog
niet-herhaalde gerandomiseerde gecontroleerde studies met positieve effecten
voor homeopathie, o.a. bij acute otitis media, ADHD, stomatitis, chronisch
vermoeidheidssyndroom, sepsis, en post-partum bloeding. [29-34]. Anderzijds zijn er ook aandoeningen waarbij de effectiviteit van homeopathie
nog onduidelijk of afwezig is.
Fundamenteel onderzoek (in laboratoria)
Fundamenteel onderzoek
in de homeopathie heeft zich toegespitst op twee gebieden: (1) in-vitro of
in-vivo biologische modellen van de werking van ultramoleculaire verdunningen
en hun mogelijke werkingsmechanisme, met inbegrip van het similia-principe (het
concept van het gelijke met het gelijke behandelen); en (2) natuurkundig
onderzoek van ultramoleculaire verdunningen.
De waarde van het
similia-principe als een specifiek regulatiemechanisme is van belang om
homeopathie als regulatietherapie te karakteriseren. Experimenteel bewijs bij
onderzoek op mensen en dieren toont aan dat alle stoffen (inclusief pesticiden
en carcinogenen) die een remmend effect vertonen bij hoge concentraties een
stimulerend effect hebben bij lage concentraties. Dit verschijnsel heet hormese
en er is toenemend wetenschappelijk bewijs dat dit in alle gebieden van de
biologie aanwezig is. [35-39]
In de farmacologie zijn acute en chronische effecten van medicijnen vaak van
tegengestelde aard (paradoxe farmacologie [40]) en veel moderne farmaceutisch werkzame stoffen vertonen paradoxe
secondaire of rebound-effecten. [41] Belangrijke studies
werden verricht aan de Universiteit van Utrecht, die aantoonden dat zelfherstel
op cellulair niveau wordt gestimuleerd door kleine doses van verstorende
prikkels die volgens het similia-principe worden toegepast. [42-48]
Een groot deel van de
onderzoeksactiviteiten zijn gericht op het aantonen van een effect van stapsgewijze
verdunde en stevig geschudde (“gepotentiëerde”) oplossingen. Hoewel regulier
medisch onderzoek aantoont dat heel lage concentraties, zoals 10-22
M, biologisch actief kunnen zijn (Eskinazi) en concentraties van 10-6
tot 10-22 M in de homeopathische praktijk gebruikt worden – er is
een overlap van actieve concentraties die gebruikt worden in conventionele
geneeskunde en homeopathie –, is de grootste reden waarom wetenschappers
geneigd zijn sceptisch naar homeopathie te zijn, het gebruik zeer hoge, ultramoleculaire “verdunningen”, waarbij geen molecuul van de
oorspronkelijk opgeloste stof meer aanwezig kan zijn.[49]
Verscheidene
onderzoeksteams op het gebied van de natuurkunde, biologie en immunologie
hebben consequent effecten van hoge “verdunningen” kunnen aantonen. Ongeveer 90
onderzoekers van verschillende universiteiten en instituten in Europa zijn op
dit gebied werkzaam en behoren tot de GIRI (Groupe Internationale de Recherches
Infinitisimales = International group of researchers studying the effects of
serially agitated high dilutions). Een uitgebreide database van fundamenteel
onderzoek in de homeopathie, de Homeopathy Basic Research Experiments ('HomBRex') Database,
bevat de gegevens van vele experimenten op biologische systemen in vivo en in
vitro, in gezonde en zieke toestand, variërend van intacte organismen tot
subcellulair niveau en onderzoek van fysisch-chemische effecten die optreden
bij het stapsgewijs verdunnen en schudden (potentiëren). Op 31 december 2006
bevatte de database 1.182 experimenten die vermeld werden in 897 primaire
publicaties. De meeste experimenten (54%) vonden plaats op dieren of materiaal
afkomstig van dieren, gevolgd door experimenten op mensen en planten (15% elk).
De grootste
hoeveelheid onderzoek op biologische modellen in de homeopathie is gebaseerd op
experimentele intoxicatie. Een kritische review en meta-analyse in 1994 vond
135 experimenten in 105 wetenschappelijke artikelen waarbij het beschermende
effect van homeopathische verdunningen tegen toxinen werd beschreven. De
studies waren zeer divers en omvatten veel verschillende experimentele
modellen: 95 experimenten waren uitgevoerd op dieren, 29 op planten, 7 op
geïsoleerde organen en 4 in vitro. De kwaliteit van de meeste studies was laag,
maar meer dan 70% van de studies van hoge
kwaliteit rapporteerden positieve effecten.[50]
Een recente
meta-analyse evalueerde 67 in-vitro experimenten in 75 publicaties met
onderzoek van homeopathische verdunningen. In de meeste rapporten werd een
effect gerapporteerd van effecten van hoge potenties. In bijna driekwart van alle gerepliceerde studies werden positieve
resultaten verkregen. Zelfs experimenten van methodologisch hoge kwaliteit
konden een effect van hoge, ultramoleculaire potenties aantonen. Er was echter
geen positief resultaat dat stabiel genoeg was om door alle onderzoekers te
kunnen worden gereproduceerd.[51]
De meest significante studies zijn uitgevoerd op menselijke basofiele
cellen, met gebruik van een degranulatieproef. Massieve doses immuunglobuline E (IgE) worden gebruikt
om degranulatie teweeg te brengen en histamine wordt gebruikt om een remmend
effect te produceren als het gepotentiëerd is tot C19 (een “verdunning” boven
het getal van Avogadro). De eerste experimenten [52] bleken niet reproduceerbar [53-54]. Recentere studies echter, waarbij een gemodificeerd
model werd gebruikt, met inbegrip van een multi-centre studie in vier
onafhankelijke laboratoria in vier verschillende Europese landen in 1999 toonde
aan dat histamine, in zeer sterke
“verdunning” (15e – 19e centesimaal), de door anti-IgE geïnduceerde basofiele
degranulatie remt. Bij 3 van de 4 laboratoria werd een statistisch
significante remming gevonden en bij het vierde laboratorium was het resultaat
bijna significant. [55] Deze studie werd later herhaald, maar deze keer met een
volautomatische teller (in plaats van tellen door feilbare laboranten). Hierbij
werden de eerdere bevindingen bevestigd. [56-58] Guggisberg heeft dit effect niet kunnen repliceren. [59]
Enkele andere interessante studies
van de effecten van stapsgewijs verdunde en geschudde oplossingen zijn:
- beschermend effect van stapsgewijs verdunde en geschudde oplossingen van kwik op de sterfte van vergiftigde muizen
[60-62]
- effecten van stapsgewijs verdunde
en geschudde oplossingen van acetylsalicylzuur op bloedingstijd,
bloedplaatjesaggregatie en stolling
[63-65]
- effecten van stapsgewijs
verdunde en geschudde oplossingen van thyroxine op de snelheid van metamorfose
bij amfibieën (= gedaanteverwisseling van larve tot volwassen amfibie, een
proces dat gestuurd wordt door thyroxine)
[66-69]
- effecten van stapsgewijs
verdunde en geschudde oplossingen van bursine en thymuline op humorale en
cellulaire immuunreacties
[70-73]
- effecten van stapsgewijs
verdunde en geschudde oplossingen van arseen op de toxische effecten van
materiele doses van arseentrioxyde op het ontkiemen van tarwe en de groei van
tarwekiemen [74-76] en bij de behandeling van afwijkingen veroorzaakt door
het tabakmozaiekvirus op tabaksplanten (Betti, 2003). [77]
Ook fysisch
onderzoek toont aan dat stapsgewijs verdunde en geschudde oplossingen te
onderscheiden zijn van puur oplosmiddel. Blijkbaar kunnen de structuur en
eigenschappen van water veranderen onder invloed van het schudproces. Hier
spelen drie vectoren mee: druk, epitaxie, and nanobelletjes, die elk de
structuur kunnen veranderen. En het is in feite de structuur en niet de
samenstelling die de eigenschappen bepaalt.
[Epitaxie is de overdracht van structuur-informatie van de
oppervlakte van het ene materiaal (meestal een vaste stof) naar een ander
materiaal (meestal een vloeistof)].
[Nanobelletjes zijn insluitsels van gasvormige O2, N2, CO2, en mogelijk de
actieve ingrediënt die een deeltjesgrootte-verdelingspiek bij 100-200 nanometer
hebben en extreem lange periodes stabiel kunnen blijven]
Sommige
experimenten met thermoluminescentie hebben
aangetoond dat opgeloste stoffen de intensiteit veranderde van signalen die aan
structuur gerelateerd zijn, zelfs als ze homeopathisch verdund zijn boven het
getal van Avogadro. [78-79] Modificaties van fysische parameters van homeopathische
verdunningen zijn ook waargenomen door middel van gasontladingsvisualisatie, mixing-flow microcalorimetrie, electrische
geleidbaarheid en potentiometrie. [80-85]
Het lijkt erop
dat er bij het bereidingsproces van homeopathische middelen (stapsgewijs
verdunnen en schudden) een soort ‘geheugen’ in het water aanwezig blijft voor
de stoffen waarmee het bij dat bereidingsproces in aanraking is gekomen. [86-87] Inmiddels is er steeds meer
wetenschappelijk bewijs voor de verschillende manieren waarop dit ‘geheugen van
water’ kan optreden. [88]
Een van de
beste en meest uitgebreide overzicht van de literatuur over dit onderwerp is te
vinden op de website van de hoogleraar Toegepaste
Wetenschap Martin Chaplin
(Water and Aqueous Systems Research, London South Bank University, Londen) en van de in 2005 overleden hoogleraar Jacques Benveniste.
1.Güthlin C, Lange O, Walach H (2004). Measuring the effects of
acupuncture and homoeopathy in general practice: An uncontrolled prospective
documentation approach. BMC Public Health, 4:6
2. Witt CM, Lüdtke R, Baur R, Willich SN (2005). Homeopathic medical
practice: long-term results of a cohort study with 3,981 patiënts. BMC
Public Health, 5:115
3. Spence D, Thompson EA, Barron SJ (2005). Homeopathic treatment for
chronic disease: a 6-year university-hospital outpatiënt observational study.
Journal of Alternative and Complementary Medicine, 5:793–798
4. Sharples
F, van Haselen R, Fisher P (2003). NHS patiënts’ perspective on
complementary medicine. Complementary Therapies in Medicine,
11:243–248
5. Benson K, Hartz AJ (2000). A comparison of
observational studies and randomized, controlled trials. New England
Journal of Medicine, 342:1878-1886
6. Concato J, Shah N, Horwitz RI (2000).Randomized, controlled
trials, observational studies, and the hierarchy of research designs. New
England Journal of Medicine, 342:1887-1892
7. Kleijnen J, Knipschild P, ter Riet G (1991). Clinical trials of homeopathy,
British Medical Journal 1991, 302: 316-323
8. Boissel JP, Cucherat M, Haugh M, Gauthier E (1996). Critical literature
review on the effectiveness of homeopathy: overview of data from homeopathic
medicine trials. In: Homeopathic Medicine Research Group, Report of the,
Commission of the European Communities, Directorate-General XII – Science,
Research and Development, Directorate E – RTD Actions: Life Sciences and
Technologies – Medical Research, Brussels 1996; Chap.11: 195-210
9. Cucherat M, Haugh MC, Gooch M, Boissel JP (2000). Evidence of clinical
efficacy of homeopathy – A meta-analysis of clinical trials. European
Journal of Clinical Pharmacology, 56:27–33
10. Linde K, Clausius N, Ramirez G, Melchart D, Eitel F, Hedges LV, Jonas WB
(1997) Are the clinical effects of homeopathy placebo effects? A meta-analysis of
placebo-controlled trials. Lancet, 350: 834-843
11. Shang A, Huwiler-Muntener K, Nartey L, Juni P, Dorig S, Sterne JA,
Pewsner D, Egger M (2005). Are
the clinical effects of homoeopathy placebo effects? Comparative study of
placebo-controlled trials of homoeopathy and allopathy. Lancet, 366:726–32
12 .Jacobs J, Jonas WB, Jimenez-Perez M, Crothers D (2003). Homeopathy for childhood
diarrhea: combined results and metaanalysis from three randomized, controlled
clinical trials. Pediatric Infectious Disease Journal, 22:229–234
13. Vickers A, Smith C (2006). Homoeopathic Oscillococcinum
for preventing and treating influenza and influenza-like syndromes (Cochrane
Review). In: The Cochrane Library. Chichester, UK: John Wiley & Sons,
Ltd. CD001957
14. Barnes J, Resch K-L, Ernst E (1997). Homeopathy for postoperative
ileus? A meta-analysis. Journal of Clinical Gastroenterology, 25:628–633
15. Wiesenauer M, Lüdtke R (1996). A meta-analysis of the
homeopathic treatment of pollinosis with Galphimia glauca. Forschende
Komplementärmedizin und Klassische Naturheilkunde, 3:230–236
16. Taylor MA, Reilly D, Llewellyn-Jones RH, McSharry C, Aitchison TC
(2000). Randomised
controlled trials of homoeopathy versus placebo in perennial allergic rhinitis
with overview of four trial series. British Medical Journal, 321:471–476
17. Bellavite P, Ortolani R, Pontarollo F, Piasere V, Benato G, Conforti
A (2006). Immunology and
homeopathy. 4. Clinical studies – Part 2. Evidence-based Complementary and
Alternative Medicine: eCAM, 3:397–409
18. Schneider B, Klein P, Weiser M (2005). Treatment of vertigo with a
homeopathic complex remedy compared with usual treatments: a meta-analysis of
clinical trials. Arzneimittelforschung, 55:23–29
19. Ernst E, Barnes J (1998). Are homoeopathic remedies effective for
delayed-onset muscle soreness? – A systematic review of placebo-controlled
trials. Perfusion (Nürnberg), 11:4–8
20. Ullman D (2003). Controlled clinical trials
evaluating the homeopathic treatment of people with human immunodeficiency
virus or acquired immune deficiency syndrome. Journal of Alternative and
Complementary Medicine, 9:133–141
21. McCarney RW, Linde K, Lasserson TJ (2004). Homeopathy for chronic
asthma (Cochrane Review). In: The Cochrane Library. Chichester, UK: John
Wiley & Sons, Ltd. CD000353
22. McCarney R, Warner J, Fisher P, van Haselen R (2004). Homeopathy for dementia
(Cochrane Review). In: The Cochrane Library. Chichester, UK: John Wiley
& Sons, Ltd. CD003803
23. Owen JM, Green BN (2004). Homeopathic
treatment of headaches: A systematic review of the literature. Journal of
Chiropractic Medicine, 3:45–52
24. Smith CA (2003). Homoeopathy for induction of
labour (Cochrane Review). In: The Cochrane Library. Chichester, UK: John
Wiley & Sons, Ltd. CD003399
25. Pilkington K, Kirkwood G, Rampes H, Fisher P, Richardson J (2005). Homeopathy for depression: a
systematic review of the research evidence. Homeopathy, 94:153–163
26. Pilkington K, Kirkwood G, Rampes H, Fisher P, Richardson J (2006). Homeopathy for anxiety and
anxiety disorders: A systematic review of the research. Homeopathy, 95: 151–162
27. Long L, Ernst E (2001). Homeopathic remedies for the
treatment of osteoarthritis – A systematic review. British Homeopathic
Journal, 90:37–43
28. Ernst E (1999). Homeopathic
prophylaxis of headaches and migraine? A systematic review. Journal of Pain
and Symptom Management, 18:353–357.
29. Jacobs J, Springer DA, Crothers D (2001). Homeopathic treatment of
acute otitis media in children: a preliminary randomized placebo-controlled
trial. Pediatric Infectious Disease Journal, 20:177–183
30. Frei H, Everts
R, von Ammon K, Kaufmann F, Walther D, Hsu-Schmitz SF, Collenberg M, Fuhrer K,
Hassink R, Steinlin M, Thurneysen A (2005). Homeopathic treatment of
children with attention deficit hyperactivity disorder: a randomized, double
blind, placebo controlled crossover trial. European Journal of Pediatrics,
164:758–767.
31. Oberbaum M, Yaniv I, Ben-Gal Y, Stein J, Ben-Zvi N, Freedman LS, Branski D
(2001). A randomized,
controlled clinical trial of the homeopathic medication Traumeel S in the
treatment of chemotherapy-induced stomatitis in children undergoing stem cell
transplantation. Cancer, 92:684–690
32. Weatherley-Jones E, Nicholl JP, Thomas KJ, Parry GJ, McKendrick MW,
Green ST, Stanley PJ, Lynch SP (2004). A randomized, controlled,
triple-blind trial of the efficacy of homeopathic treatment for chronic fatigue
syndrome. Journal of Psychosomatic Research, 56:189–197
33. Frass M, Linkesch M, Banyai S, Resch G, Dielacher C, Lobl T, Endler C,
Haidvogl M, Muchitsch I, Schuster E (2005). Adjunctive homeopathic
treatment in patients with severe sepsis: a randomized, double-blind,
placebo-controlled trial in an intensive care unit. Homeopathy,
94:75–80
34. Oberbaum M, Galoyan N, Lerner-Geva L, Singer SR, Grisaru S, Shashar D,
Samueloff A (2005). The
effect of the homeopathic remedies Arnica and Bellis perennis on mild
postpartum bleeding – a randomized, double-blind, placebo-controlled study
–preliminary results. Complementary Therapies in Medicine, 13:87–90
35. Bellavite P, Andrioli G, Lussignoli S, Signorini A, Ortolani R,
Conforti A (1997). Scientific
reappraisal of the ‘Principle of Similarity’. Medical Hypotheses, 49:
203-212
36. Bellavite P, Lussignoli S, Semizzi ML, Ortolani R, Signorini A
(1997). The similia principle. From cellular models to regulation of
homeostasis. British Homeopathic Journal, 86: 73-85
37. Calabrese EJ, Blain R (2005). The occurrence of hormetic
dose responses in the toxicological liteature, the hormesis database: an
overview. Toxicology and Applied Pharmacology, 202:289-301
38. Calabrese EJ (2005) Hormetic dose-response
relationships in immunology: occurrence, quantitative features of the dose
response, mechanistic foundations, and clinical implications. Critical
Reviews in Toxicology, 35:89–295
39. Calabrese EJ (2005). Paradigm lost, paradigm
found: The re-emergence of hormesis as a fundamental dose response model in the
toxicological sciences. Environmental Pollution, 138:379-412
40. Bond RA (2001). Is
paradoxical pharmacology a strategy worth pursuing? Trends in
Pharmacological Sciences, 22:273-276
41. Teixeira M (2003). Homeopathic use of modern
medicines: utilisation of the curative rebound effect. Medical Hypotheses,
60:276-283
42. Van Wijk R, Wiegant FAC (1994). Cultured mammalian cells in
homeopathic research -The similia principle in self-recovery, Utrecht
University, the Netherlands
43. Van Wijk R, Wiegant FAC (1997) The similia principle in surviving stress;
mammalian cells in homeopathy research, Utrecht University, the Netherlands
44. Van Wijk R, Wiegant FAC (1997). The similia principle as a
therapeutic strategy: a research programme on stimulation of self-defense in
disordered mammalian cells. Alternative Therapies in Health and Medicine,
3:33-39
45. Wiegant FAC, Souren JEM, Van Rijn J, Van Wijk R (1994). Stressor specific induction
of heat shock protein in rat hepatoma cells. Toxicology, 94:143–159
46. Wiegant FAC, Van Rhijn J, van Wijk R (1997). Enhancement of the stress
response by minute amounts of cadmium in sensitized Reuber H35 hepatoma cells.
Toxicology, 116: 27-37
47. Wiegant FAC, Spieker N, van Wijk R (1998). Stressor-specific enhancement
of hsp induction by low doses of stressors in conditions of self- and
cross-sensitization. Toxicology, 127:107-119
48. Wiegant FAC, Souren J, van Wijk R (1999). Stimulation of survival
capacity in heat shocked cells by subsequent exposure to minute amounts of
chemical stressors; role of similarity in hsp-inducing effect. Human and
experimental toxicology, 18:460-470
49. Eskinazi D (1999). Homeopathy
re-revisited – is homeopathy compatible with biomedical observations?
Archives of Internal Medicine, 159;1981–1986]s. Human and Experimental
Toxicology, 18:460-470
50. Linde K, Jonas WB,
Melchart D, Worku F, Wagner H, Eitel F (1994). Critical review and
meta-analysis of serial agitated dilutions in experimental toxicology.
Human and Experimental Toxicology, 13:481–492
51. Witt CM, Bluth M, Albrecht H, Weißhuhn TER, Baumgartner S, Willich
SN (2007). The in vitro
evidence for an effect of high homeopathic potencies – A systematic review of
the literature. Complementary Therapies in Medicine, 15:128–138
52. Davenas E, Beauvais F, Amara J, Oberbaum M, Robinzon B, Miadonna A,
Tedeschi A, Pomeranz B, Fortner P, Belon P, Sainte-Laudy J, Poitevin B,
Benveniste J (1988). Human
basophil de-granulation triggered by very dilute antiserum against IgE,
Nature, 333;816–818
53. Ovelgönne JH, Bol AW, Hop WC, van Wijk R (1992). Mechanical agitation of very
dilute antiserum against IgE has no effect on basophil staining properties.
Experientia, 48:504–508
54. Hirst SJ, Hayes NA, Burridge J, Pearce FL, Foreman JC (1993). Human basophil degranulation
is not triggered by very dilute antiserum against human IgE. Nature,
366:525–527
55. Belon P, Cumps J, Ennis M, Mannaioni PF, Sainte-Laudy J, Roberfroid M,
Wiegant FA (1999). Inhibition
of human basophil degranulation by successive histamine dilutions: results of a
European multi-centre trial. Inflammation Research, 48 (Suppl 1):S17–18
56. Brown V, Ennis M (2001). Flow-cytometric analysis of
basophil activation: inhibition by histamine at conventional and homeopathic
concentrations. Inflammation Research,50(Suppl 2):S47–S48
57. Lorenz I, Schneider EM, Stolz P, Brack A, Strube J (2003). Sensitive flow
cytometric method to test basophil activation influenced by homeopathic
histamine dilution. Forschende Komplementärmedizin,10:316–324
58. Belon P, Cumps J, Ennis M, Mannaioni PF, Roberfroid M, Sainte-Laudy J,
Wiegant FA (2004). Histamine
dilutions modulate basophil activation. Inflammation Research, 53:181–188
59. Guggisberg A, Baumgartner SM, Tschopp CM, Heusser P (2005) Replication study concerning
the effects of homeopathic dilutions of histamine on human basophil
degranulation in vitro. Complementary Therapies in Medicine, 13;91–100
60. Datta S, Biswas SJ, Khuda-Bukhsh AR (2004) Comparative efficacy of pre-feeding,
post-feeding and combined pre- and post-feeding of two microdoses of a
potentized homeopathic drug, Mercurius solubilis, in ameliorating genotoxic
effects produced by mercuric chloride in mice. Evidence Based Complementary
and Alternatative Medicine, 1:291–300
61. Datta S, Mallick P, Khuda-Bukhsh AR (1999). Efficacy of a potentized
homeopathic drug (Arsenicum Album-30) in reducing genotoxic effects produced by
arsenic trioxide in mice: I. Comparative studies of pre-, post- and combined
pre- and postoral administration and comparative efficacy of two microdoses.
Complementary Therapies in Medicine, 7:62–75
62. Datta S, Mallick P, Khuda-Bukhsh AR (1999). Efficacy of a potentized
homeopathic drug (Arsenicum Album-30) in reducing genotoxic effects produced by
arsenic trioxide in mice: II. Comparative efficacy of an antibiotic,
actinomycin D alone and in combination with either of two microdoses.
Complementary Therapies in Medicine, 7:156–163
63. Doutremepuich C, de Seze O, Le Roy D, Lalanne MC, Anne MC (1990). Aspirin at very ultra low
dosage in healthy volunteers: Effects on bleeding time, platelet aggregation
and coagulation. Haemostasis, 20:99–105
64. Doutremepuich C, Aguejouf O, Pintigny D, Sertillanges M. and De Seze O
(1994). Thrombogenic
properties of ultra-low-doses of acetylsalicylic acid in a vessel model of
laser-induced thrombus formation. Thrombosis Research, 76:225–229]
65. Eizayaga FX, Aguejouf O, Belon P, Doutremepuich C (2005). Platelet aggregation in
portal hypertension and its modification by ultra-low doses of aspirin.
Pathophysiology of haemostasis and thrombosis, 34:29–34
66. Endler P, Lüdtke R, Heckmann C, Lassnig H, Scherer-Pongratz W, Haidvogl M,
Frass M (2003). Pretreatment
with thyroxin (10-8 parts by weight) enhances a "curative" effect of
homeopathically prepared thyroxin (10-13) on lowland frogs. Research on
Complementary Medicine, 10:137–142
67. Endler P, Pongratz W, Kastberger G, Wiegant F, Schulte J (1994). The effect of highly diluted
agitated thyroxine on the climbing activity of frogs. Veterinary and Human
Toxicology, 36:56–59
68. Endler P, Pongratz W, Smith C, Schulte J (1995). Non-molecular information transfer
from thyroxine to frogs with regard to homeopathic toxicology. Veterinary
and Human Toxicology, 37:259–260
69. Welles SU, Endler PC, Scherer-Pongratz W, Suanjak-Traidl E, Weber S,
Spranger H, Frass M, Lothaller H (2006). Pretreatment with thyroxin
10-8 and the effect of homeopathically prepared thyroxin 10-30 on highland
frogs - a multi-researcher study. Forschende Komplementärmedizin,
14:353-357
70. Bastide M, Daurat V, Doucet-Jaboeuf M, Pelegrin A, Dorfman P (1987).
Immunomodulatory activity of very low doses of thymulin in mice, International
Journal of Immunotherapy, 3:191–200
71. Daurat V, Dorfman P, Bastide M (1988). Immunomodulatory activity of
low doses of interferon alpha,beta in mice. Biomedicine and
Pharmacotherapy, 42:197–206
72. Youbicier-Simo B, Boudard F, Mekaouche M, Bastide M, Baylé J (1993).
Effects of embryonic bursectomy and in ovo administration of highly diluted
bursin on adrenocorticotropic and immune responses of chickens. International
Journal of Immunotherapy, 9:169–180
73. Youbicier-Simo B, Boudard F, Mekaouche M, Baylé J, Bastide M (1996).
Specific abolition reversal of pituitary-adrenal activity and control of the
humoral immunity in bursectomized chickens through highly dilute bursin.
Journal of Immunopathology and Pharmacology, 9: 43–51
74. Betti L, Brizzi M, Nani D, Peruzzi M (1997). Effect of high
dilutions of Arsenicum album on wheat seedlings from seeds poisoned with the
same substance. British Homeopathic Journal, 86:86–89
75. Brizzi M, Nani D, Peruzzi M, Betti L (2000). Statistical analysis of the
effect of high dilutions of arsenic in a large dataset from a wheat germination
model. British Homeopathic Journal, 89:63–67
76. Brizzi M, Lazzarato L, Nani D, Borghini F, Peruzzi M, Betti L (2005). A biostatistical insight
into the As(2)O(3) high dilution effects on the rate and variability of wheat
seedling growth. Forschende Komplementärmedizin und Klassische
Naturheilkunde, 12:277–283
77. Betti L, Lazzarato L, Trebbi G, Brizzi M, Calzoni GL, Borghini F, Nani D
(2003). Effects of
homeopathic arsenic on tobacco plant resistance to tobacco mosaic virus.
Theoretical suggestions about system variability, based on a large experimental
data set. Homeopathy, 92:195–202
78. Rey L (2003). Thermoluminescence
of ultra-high dilutions of lithium chloride and sodium chloride. Physica
(A), 323:67–74
79. Van Wijk R, Bosman S, van Wijk PA (2006). Thermoluminescence in
ultra-high dilution research. Journal of Alternative and Complementary
Medicine,12:437–443
80. Bell IR, Lewis DA 2nd, Brooks AJ, Lewis SE, Schwartz GE (2003). Gas discharge visualisation
evaluation of ultramolecular doses of homeopathic medicines under blinded,
controlled conditions. Journal of Alternative and Complementary Medicine,
9:25–38
81. Elia V, Niccoli M (1999). Thermodynamics of extremely
diluted aqueous solutions. Annals of the New York Academy of Sciences,
879:241–24879.
82. Elia V, Niccoli M (2004). New
physico-chemical properties of extremely diluted aqueous solutions. Journal
of Thermal Analysis and Calorimetry, 75: 815–836
83. Elia V, Napoli E, Niccoli M, Nonatelli L, Ramaglia A, Ventimiglia E (2004).
New physico-chemical properties of extremely diluted aqueous solutions: A
calorimetric and conductivity study at 25°C. Journal of Thermal Analysis and
Calorimetry, 78: 331–342
84. Elia V, Marchese M, Montanino M, Napoli E, Niccoli M, Nonatelli L, Ramaglia
A (2005). Hydrohysteretic
phenomena of “extremely diluted solutions” induced by mechanical treatments. A
calorimetric and conductometric study at 25 °C. Journal of Solution
Chemistry, 34:947–960
85. Elia V, Elia L, Cacace P, Napoli E, Niccoli M, Savarese F (2006). Extremely
diluted solutions as multi-variable systems. A study of calorimetric and
conductometric behaviour as function of the parameter time. Journal of
Thermal Analysis and Calorimetry, 84:317–323
86. Roy R, Tiller WA, Bell IR, Hoover MR (2005). The structure of
liquid water; novel insights from materials research; potential relevance to
homeopathy. Materials Research Innovations, 9-4:577–608
87. Schulte J (1999). Effects of potentization in aqueous solutions. British
Homeopathic Journal, 88:155–160
88. Chaplin MF (2007). The
Memory of Water: an overview. Homeopathy, 96:143-50]
|